Kabbala – een mystieke klimboom

 

Kabbala is een innerlijke weg. Een fikse klim via de sferen van de Levensboom - ofwel de wetmatigheden van het universum  -  naar de Bron. Een kabbalist is iemand die aan zijn innerlijke groei werkt door die principes van het universum op het eigen innerlijk toe te passen. Hij kan zijn bewustzijn van het ego naar een hoger zijns-nivo tillen. Net als elke andere spirituele traditie, is de kabbala een pad tot reïntegratie met de Goddelijke natuur. De kabbala als methode is dan ook geenszins beperkt tot het joodse gedachtegoed, en al eeuwenlang opgenomen in alle respectabele, westerse mysteriescholen - ook die van de katholieke kerk. De kabbalistische Levensboom is een universeel model; het maakt inzichtelijk uit welke principes de schepping is opgebouwd. In het woestijnzand van vierduizend jaar geleden waren die principes niet anders dan in onze moderne tijd - al kleden ze zich misschien een beetje anders.

 

Oorsprong

Kabbala is hebreeuws voor openbaring en betekent letterlijk: dat  wat ontvangen is. Het universele systeem vindt zijn oorsprong in de joodse traditie, en vertegenwoordigt de mystieke tak ervan. Volgens de joodse legende is de kabbala door God zelf aan de onsterfelijke mens Henoch, die ‘met God wandelde,’ gegeven. Dat was in onheuglijke tijden, toen er nog ‘reuzen op aarde woonden’. Henoch stierf niet, maar bleef als de hoogste aartsengel Metatron de mensheid gidsen. Volgens de westers-esoterische scholen incarneert deze Grote Ingewijde telkens opnieuw in ieder groot cultuurtijdperk. Hij is, als de volledig gerealiseerde mens, het hoogste punt van de opstrevende Mensheid en communiceert direct met God. De Egyptenaren vereerden hem als de leraar en inwijder Thoth, en Hermetische traditie kent Henoch als Hermes Trismegistus. De Indiërs vereren hem als Rama, de Perzen als Zarathoestra en de Soefi’s als Idris. Henoch wijdde (gereïncarneerd als Melchisedek) Abraham in, en gaf hem de sleutel tot het universum - de kabbala. Deze werd mondeling en met de grootste omzichtigheid binnen de priesterkaste van Israël overgedragen, en waarschijnlijk pas gedurende de Babylonische ballingschap op schrift gesteld. Pas tijdens de diaspora (na de verwoesting van de Tempel, in 70 na Christus) brachten gevluchte rabbi’s de kabbala onder andere naar Europa,  waar vooral Spanje hen een warm onthaal bood. Van daaruit werd het hele Europese geestelijke en culturele leven met deze ideeën verrijkt. De jonge katholieke Kerk, die in de eerste eeuwen vooral op gepassioneerd geloof dreef, zat te springen om een theologisch stelsel dat naast de andere wereldreligies kon bestaan. Ook zij is schatplichtig aan de kabbala – het schema van de engelenkoren (opgetekend door Dionysius de Areopagiet) komt bijvoorbeeld regelrecht uit de kabbalistische traditie, en werd op advies van niemand minder dan Thomas van Aquino ingevoerd.          

            Elke mystieke traditie streeft naar vereniging met het goddelijke. Maar: wat is er eigenlijk nodig voor die felbegeerde staat van volledige realisatie? In ieder geval twee dingen: balans en bewustzijnsverhoging. Balans is noodzakelijk om niet van een eenmaal verworven zijnsnivo weer naar beneden te duikelen. Je kan natuurlijk door middel  van drugs of excessieve spirituele oefeningen inbreken in de hogere werelden, maar dat levert meestal niets duurzaams op als er geen basis is. Echte bewustzijnsgroei kost tijd en gaat stap voor stap. Dit proces van veilige transformatie is terug te vinden in de kabbalistische Levensboom, de Otz Chiim - ook wel de Jakobsladder genoemd. Deze Boom omvat de hele schepping. Uit het hoogste punt stroomt het Goddelijk Zijn neer, dat in telkens dieper gelegen schalen opgevangen wordt, tot in de aardse sfeer.